De vorm van het glas bepaalt hoeveel lucht de wijn krijgt, waar de geur zich verzamelt en hoe de wijn je mond binnenkomt. Je hoeft geen kast vol glazen te hebben, maar het verschil tussen een smal en een wijd glas proef je echt.
Witte wijn
Frisse witte wijnen als muscadet, albariño of sauvignon blanc uit de Loire drink je uit een middelgroot, tulpvormig glas. De kleinere kelk houdt de wijn langer koel en concentreert de frisse geuren. Volle witte wijnen, zoals Bourgogne chardonnay of chardonnay uit de Nieuwe Wereld, krijgen een groter glas met een wijde kelk. Daarin komen de rijpe en houtige tonen beter tot hun recht.
Rode wijn
Voor stevige, tanninerijke wijnen als Bordeaux en cabernet sauvignon is er het Bordeauxglas: hoog, met een grote kelk die naar boven toe smaller wordt. Voor geurige, lichtere rode wijnen als Bourgogne rood en barolo kies je het Bourgogneglas, een wijde ballon die de fijne aroma’s vangt.
Mousserende wijn
De klassieke flûte laat de bubbels mooi opstijgen en houdt de mousse lang vast. Voor prosecco en cava werkt dat prima. Bij champagne en andere wijnen met lang gistcontact kiezen steeds meer sommeliers een tulpvormig witwijnglas, omdat de geur van brioche en noten daarin beter tot zijn recht komt.
Zoete en versterkte wijn
Dessertwijnen en versterkte wijnen schenk je in kleinere hoeveelheden, dus ook in een kleiner glas. Sherry als fino hoort in een copita: een smalle tulp op een korte voet. Port drink je uit een klein portglas.
Hoe vol schenk je?
Schenk een glas hooguit voor een derde vol, zodat je kunt walsen zonder te morsen. Bij proeverijen en wijnlessen wordt vaak één standaard proefglas gebruikt, het ISO-glas. Dan vergelijk je de wijnen eerlijk, omdat het glas voor iedereen gelijk is.
In het periodiek systeem staat bij elke stijl welk glas past. Je vindt het bij ‘Serveren en bewaren’ op de detailpagina.


