Alle mousserende wijn begint als stille wijn. De bubbels ontstaan doordat koolzuur uit een gisting in de wijn opgesloten blijft. Hoe dat gebeurt, bepaalt voor een groot deel hoe de wijn smaakt.
Traditionele methode
Bij de traditionele methode gist de wijn een tweede keer in de fles waarin hij ook verkocht wordt. Daarvoor gaat er een mengsel van wijn, suiker en gist in de fles. Na de gisting blijft de wijn maanden tot jaren op de dode gistcellen liggen. Dat geeft tonen van brood, brioche en noten en een fijne, romige mousse. Daarna wordt het gistdepot naar de hals gedraaid en verwijderd, en krijgt de wijn een scheutje dosage. Champagne, cava, crémant en Franciacorta worden zo gemaakt.
Tankmethode
Bij de tankmethode vindt de tweede gisting plaats in een grote, afgesloten tank onder druk. Daarna wordt de wijn gefilterd en onder druk gebotteld. Het gaat sneller en goedkoper, en het fruit van de druif blijft fris en duidelijk. Dat is precies wat je zoekt in prosecco en moscato d’Asti.
Ancestrale methode
De oudste manier is ook de eenvoudigste: de wijn wordt gebotteld voordat de eerste gisting klaar is. De laatste suiker vergist in de fles en het koolzuur blijft erin. Zo ontstaat pét-nat: vaak licht troebel, speels en minder bruisend dan champagne.
Brut, extra brut en demi-sec
De termen op het etiket gaan over de suiker die na de tweede gisting wordt toegevoegd. Brut nature en extra brut zijn heel droog, brut is droog en het meest gangbaar. Extra dry is verwarrend genoeg iets zoeter dan brut, en demi-sec is duidelijk zoet.


